Familiefoto's

Familiefoto's
Familiefoto's

woensdag 23 augustus 2017

Genealogisch blog 219



“Onsinnige” Walraven

Dit wordt het verhaal over Walraven van Haeften. Walraven was één van de zes kinderen van Otto van Haeften en Walburg van Cuyck van Meteren. Otto en Walburg trouwden op 6 maart 1526 met elkaar in Nijmegen. Daarvoor was Otto gehuwd met Everharda Walravensdr van Malburg, met wie hij rond 1515 in de echt verbonden werd. Dit stel kreeg twee kinderen: Arndt en Frans. Everharda is, echter, voor 1526 al overleden, wat Otto met twee kinderen deed besluiten een tweede huwelijk aan te gaan.
Walraven is naar schatting in 1529 geboren. Over zijn jonge jaren is weinig meer bekend dan dat hij in het huwelijk trad met Sandrina (Zander) Pieck, de dochter van Arend Arnts Pieck en Hendrica Storm. Het paar woonde in Tuil, vrijwel zeker op de hofstede Bleijenburg. Anna, de zus van Sandrina trad in 1568 voor de eerste keer in het huwelijk met Reinier van Haeften, de zoon van Allard van Haeften en Cunegonde van Keppel en Heer van Ophemert. Na diens dood huwde Anna Pieck nog twee keer.
De vader van Walraven, Otto, was in 1564 voogd van Sandrina, toen zij door de weduwe Katharina, bastaarddochter van Gelre, Vrouwe van Waardenburg, beleend werd met huis en hofstad, de Blienborch bij Tuil en zeven morgen land, genaamd Den Guldencamp, die Sandrina geërfd had van haar vader. Sandrina moest daarvoor wel haar zusters schadeloos stellen. Hieruit kan blijken, dat Sandrina nog betrekkelijk jong was, toen zij met Walraven trouwde.

Walraven van Haeften x Sandrina (Hendrika) Pieck, Erprath Wall Chart
Walraven van Haeften x Sandrina (Hendrika) Pieck, Erprath Wall Chart

Hoe het ook zij, door het huwelijk van Walraven met Sandrina Pieck kwam er weer een verbinding tot stand tussen de familie Van Haeften en de machtigste en rijkste adellijke familie van de westelijke Betuwe, de familie Pieck. Uit het huwelijk van Walraven en Sandrina kwamen twee kinderen voort: zoon Otto, over wie verder niets bekend is, en dochter Henrica, die rond 1565 in Tuil ter wereld kwam. Henrica trouwde in 1590 met haar neef Johan van Haeften, Heer van Ophemert en zoon van Reinier van Haeften en Anna Pieck, de zus van haar moeder.
Het huwelijk tussen Walraven en Sandrina werd niet gekenmerkt door veel geluk. Al in 1571 werd van Walraven in een akte vermeld, dat hij “innocent” (onnozel) was. Daarna ging de geestelijke gezondheid van Walraven snel achteruit. Op 17 november 1576 werd hij krankzinnig verklaard, nadat hij in Wageningen een vrouw had doodgeslagen, die uit een kerk kwam. Vervolgens werd hij gevangen gezet. Nu Walraven “onsinnig” was verklaard, kreeg zijn vrouw Sandrina op dezelfde dag nog uitstel van belening van de korentiend in Driel in de Bommelerwaard, die na de dood van Walraven overging naar zijn dochter Henrica.
In de daarop volgende jaren heeft Sandrina het bepaald niet makkelijk gehad. In 1579 raakte ze verzeild in verschillende processen met Wilhelmina en Dick van Haeften, familie van haar man. Om het hoofd boven water te kunnen houden benoemde ze deurwaarder Joost Coop tot hulder om de zaken betreffende de lenen, die Walraven in bezit had, af te wikkelen. Om in de processen tegen haar schoonfamilie een zo’n goed mogelijk resultaat te behalen stelde ze Willem Pels aan als haar gevolmachtigde bij de (recht)bank van Deil met de opdracht al haar belangen te behartigen. Willem Pels stelde Wilhelmina en Dirck van Haeften onmiddellijk voor tot een minnelijke schikking te komen.
Wanneer er weer een leen de kant van Walraven uitkwam, dan werd Sandrina daarmee officieel gegeidt (gegoed) in plaats van haarcrancksinnige man. Na 1600 liet Sandrina haar zaken meer en meer behartigen door haar schoonzoon Johan van Haeften uit Ophemert.
Walraven overleed op18 februari 1595, 66 jaar oud. Nog geen half jaar later hertrouwde Sandrina Pieck met Peter Jansz, die als haar man en in samenwerking met haar schoonzoon 12 hond land in Meteren in 1612 verkocht aan Hendrick Matthijsz, de tweede echtgenoot van Arike van Haeften, die bekend staat als de schakel tussen de adellijke tak van de familie Van Haeften en de latere, niet-adellijke generaties in Utrecht. In datzelfde jaar stond Peter Jansz te boek als “momber” (letterlijk “voogd”, hier vooral bedoeld als beheerder van haar goederen) van Sandrina.
Sandrina Pieck overleed na 7 december 1613.

Tiel, 23 augustus 2017

zaterdag 19 augustus 2017

Genealogisch blog 218



Naar Indië (1)

Mijn oom Bertus Bosman van 15 december 1927 werd op 19 november 1946 gekeurd voor militaire dienst, geschikt bevonden en op 10 april 1947 als gewoon dienstplichtige van de IIe ploeg van de lichting 1947 uit Amersfoort ingelijfd bij het Korps Mariniers. Zijn registratienummer was 27.12.15.197 en zijn stamboeknummer 37746. Op zijn Grote Personeelskaart stond als zijn burgerberoep “kweker” vermeld.
Vanaf zijn inlijving hield de administratie van de eenheden, waarbij Bertus gediend heeft, zijn conduiteboekje met foto bij. Daarin werden zijn persoonlijke gegevens bijgehouden, zoals onder meer detacheringen en beoordelingen, straffen, bevorderingen, de deelname aan gevechten en de staat van zijn algemene geoefendheid.

Bertus Bosman
Op de plaats, rust; Bertus voorste rij derde van links

Bertus kwam in werkelijke dienst voor eerste oefening bij de Afdeling Mariniers in de Van Ghentkazerne te Rotterdam. Daar werd hij de volgende dag medisch gekeurd. Van al zijn vingers en beide handen werden afdrukken gemaakt. Tenslotte kwam in zijn conduiteboekje te staan, dat hij een litteken had op de rechterschouder.
Dezelfde dag nog werd Bertus geplaatst bij de Afdeling Mariniers in de Wilhelmina Kazerne te Bergen op Zoom. Hij was toen zeemilicien/marinier van de derde klasse. Hij was blij bij de mariniers terecht gekomen te zijn. Hij kreeg, als marinier, per maand fl. 70 meer soldij dan zijn broer Frans, die bij de infanterie zat.
Bertus voltooide zijn eerste training van drie maanden als zeemilicien op 8 juli 1947. Hij was nu de marinier die alles kan, de marinier die alles wil, de marinier die alles doet, de marinier die niet vraagt naar het waarom.
Ter gelegenheid van het beëindigen van zijn eerste militaire opleiding kreeg Bertus een herinneringsdiploma aangeboden van zijn commandant G. Broekhuijsen.

Bertus Bosman
Eerste militaire opleiding afgesloten

Zijn commandant beoordeelde zijn militaire prestaties en zijn gedrag. De commandant omschreef zijn karakter als:

“Beleefd, netjes, doet de laatste tijd zijn best. Stille natuur, valt niet op”
Het conduiteboekje van Bertus vermeldde, dat hij op 25 juni 1947 scherpe en halfscherpe handgranaten had geworpen en dat hij op 16 juli  geoefend had in het omgaan met het halfautomatische Johnson geweer. Vervolgens kreeg hij van 19 juli tot 13 augustus vijfentwintig dagen inschepingsverlof dat hij thuis doorbracht.

Bertus Bosman
Bertus (achterste rij 2e van links) tijdens het inschepingsverlof, rechts van hem vriend Fons van Berkel
Een week na zijn verlof, op 18 augustus 1947, werd Bertus overgeplaatst naar de Afdeling Mariniers in de Willem II kazerne in Tilburg. Op 28 augustus 1947 vertrok Bertus met het troepentransportschip “Kota Inten” vanuit Rotterdam naar Indië. Hij zou daar 14 maanden blijven en thuisvaren in november 1948. Hoe anders zou het verblijf in Indië voor Bertus uitpakken. Hij kwam pas ruim een half jaar later weer terug naar Nederland.
Vanuit Tilburg reisde Bertus per trein naar Rotterdam. Onder het spelen van het Wilhelmus werden de trossen van de Kota Inten om 17.00 uur losgegooid. In totaal waren ongeveer 1500 militairen aan boord. Behalve personeel van de Marine, Mariniers, het K.N.I.L. en de A.A.T. (aan- en afvoertroepen) ook drie compagnieën van het commando Luchtvaarttroepen.

Kota Inten
Kota Inten

De Kota Inten was in 1927 gebouwd in opdracht van de Rotterdamsche Lloyd als vrachtschip voor de route Rotterdam-Indië. In 1942 ging het schip voor de Amerikaanse regering dienst doen als troepenschip. Het werd daartoe grondig verbouwd. Toen het schip na de Tweede Wereld Oorlog weer in handen van de eigenaar kwam, ging het voor de Nederlandse overheid troepen van en naar Indië vervoeren.
In het begin van de reis gonsde het van de geruchten, dat er via Kaap de Goede Hoop gevaren zou worden. Internationaal waren er problemen gerezen over een eventuele doorvaart door het Suezkanaal, maar toen het schip bij Gibraltar naar het Oosten koerste was voor iedereen aan boord duidelijk, dat er toch via het Suezkanaal gevaren zou worden. Gelukkig bleven de verwachte ongeregeldheden uit tijdens de tocht door het Suezkanaal op 8 september 1947.
Toen hij twee dagen aan boord was kreeg Bertus van transportcommandant W. Bierenbroodspot vier dagen strafdienst van 1½ uur per dag opgelegd, omdat hij 

“Lawaai makende ten 22.30 op straat aangetroffen”

was. Het zal zo zijn geweest, dat Bertus de avond vóór vertrek op straat rumoer gemaakt had (al dan niet onder invloed van alcohol) om zijn nervositeit voor de lange zeereis te verbergen. De tocht naar Ned.-Indië was zijn eerste reis naar het buitenland.
De Kota Inten bereikte na het Suezkanaal de Golf van Aden en de Indische Oceaan. Het schip passeerde op 9 september 1947 de Kreeftkeerkring in zuidelijke richting. In de ochtend van 21 september 1947 kwam de Kota Inten aan in de haven van Sebang op het eiland Pulau Weh.
Later die dag zette de Kota Inten koers richting Batavia. Het schip passeerde de evenaar. Tijdens die passage, op 24 september 1947, werd het Neptunusfeest gevierd, waarbij vele manschappen, onder wie Bertus, op een niet zachtzinnige manier gedoopt werden. Bertus kreeg het zgn. Neptunusdiploma uitgereikt, ondertekend door kapitein H.S.L. Blom en de gezagvoerder.

Bertus Bosman
 Neptunusdiploma

Voordat zij doorreisden naar Soerabaja, hun uiteindelijke bestemming, verbleven de mariniers enkele dagen in Batavia. Daar ontmoette Bertus zijn neef Jan Janssen, een zoon van een broer van zijn moeder. Bertus heeft zijn diensttijd in Indië in z’n geheel doorgebracht op Oost Java, in Soerabaja en wijde omgeving. De eerste dagen moest hij wennen aan de tropische warmte en aan het slapen onder een klamboe.
Soerabaja, gelegen aan de rivier de Mas, is de op één na grootste stad van Indonesië en de hoofdstad van de regio Oost Java. De stad is aan twee kanten omgeven door de Javazee. In 1945, nog tijdens de Britse bezetting van Java, kwamen in de stad 120.000 revolutionaire jonge Indonesiërs in opstand. Bendes trokken moordend en plunderend rond. Soerabaja veranderde in een spookstad.
Voor de Britten, die bij de opstand 220 man verloren, het signaal om de beslissing in te trekken om geen Nederlandse militairen in Soerabaja toe te laten. Maar pas op 10 maart 1946 zette de Mariniers Brigade te Soerabaja voet aan wal en nam korte tijd later het zogeheten Soerabajafront geheel over van de 5th Indian Division van het Brits-Indische leger.
Kort na zijn aankomst in Soerabaja op 29 september 1947 werd Bertus geplaatst bij de Depot Troepen van de Mariniers Brigade. Het beviel Bertus nog goed in Indië. Hij vond Soerabaja een mooie stad, veel mooier als Batavia.
Er was voor de mariniers veel vertier in Soerabaja, zoals bioscopen en zwembaden. Tijdens zijn verblijf daar van een maand ging Bertus vier keer per week naar de bioscoop. Hij schreef over zijn verblijf:

"Nou voorlopig zou ik nog niet terug willen, want het bevalt me hier best. We hebben hier een goed leven en goed eten. We zijn nu weer met een opleiding bezig van drie weken. Volgende week is de laatste week en dan gaan we drie maanden naar het front. Nu moet je niet denken dat ik dat erg vind, want aan het front is het erg rustig en alles is daar veel goedkoper als hier in de stad."
Over het de stad ingaan schreef hij:

"Hier in Soerabaja b.v. gaan we zo de stad in net zoals in A’foort. Maar in het binnenland ga je altijd met z’n tweeën. Die tweede is je meisje zeggen wij, maar je kan het ook een geweer noemen met 80 patronen. Maar daar heb ik nu ook geen last meer van. Ik heb geen geweer meer. Ik heb nu een revolver, die is me groot genoeg."
In Soerabaja kreeg Bertus een tropentraining van drie weken waarin hij leerde met een M-1 geweer en met een mitrailleur met scherpe patronen te schieten. Hij schreef daarover:

"…. en verder moeten we nog handgranaten gooien en granaten schieten. Dat gaat hier wel iets anders als in Holland, want we doen hier alles met scherp."
In oktober 1947 vertrok Bertus naar het front.

Tiel, 19 augustus 2017

Meer weten? Lees: Paul Welling, Ze spraken er niet over. Twee Amersfoortse broers in Nederlands-Indië. Soest: Boekscout,  2015. 156 blz.  Index. ISBN 9789402219401. Prijs € 18,15. Te bestellen via boekscout.nl